Jachthondenproeven

De Standaard Jachthondenproef (SJP)

Een Standaard Jachthondenproef (SJP) bestaat uit drie gestandaardiseerde gedrag- en gehoorzaamheidsproeven (A tot en met C) en zeven gestandaardiseerde apporteerproeven (D tot en met J).

Onderstaande beschrijvingen van de proeven komen uit het Algemeen Reglement Jachthondenproeven van de ORWEJA
(Organisatie Wedstrijdwezen Jachthonden)

Diploma’s

De uitvoering van een proef wordt gewaardeerd met cijfers van 6 tot en met 10. Een proef die onvoldoende wordt afgelegd, wordt met de letter 0 gewaardeerd.

  • Om het C-diploma te behalen, moet de hond voor alle proeven A tot en met E tenminste een 6 hebben gekregen.
  • Om het B-diploma te behalen, moet de hond voor alle proeven A tot en met H tenminste een 6 hebben gekregen.
  • Om het A-diploma te behalen, moet de hond voor alle proeven A tot en met J tenminste een 6 hebben gekregen. Om proef I te mogen afleggen, moet de hond voor de proeven A tot en met H tenminste een 6 hebben gekregen. Bovendien moet hij voor de apporteerproeven D tot en met H tenminste een 7 gemiddeld hebben gekregen. Om proef J te mogen afleggen moet de hond voor proef I tenminste een 6 hebben gekregen.

Proef A: Aangelijnd en los volgen

Beschrijving van de proef

  • a. De hond moet zijn voorjager over een traject van ongeveer 40 meter volgen. Dit traject moet eerst aangelijnd en vervolgens niet aangelijnd worden afgelegd.
  • b. Het traject heeft de vorm van een langgerekte zandloper, waardoor de voorjager steeds twee bochten met zijn hond aan de binnenkant en twee bochten met zijn hond aan de buitenkant moet maken.
  • c. Tijdens het niet aangelijnd volgen moet de voorjager halsband en lijn op een door de keurmeester aangewezen plaats achterlaten.

Proef B: Uitsturen en komen op bevel

Beschrijving van de proef

  • a. De hond moet zonder halsband of lijn worden uitgezonden en moet op een afstand van ongeveer 30 meter voldoende vrij in beweging zijn.
  • b. Daarna moet de hond op bevel naar de voorjager komen.
  • c. De voorjager moet dit bevel onmiddellijk geven, nadat de keurmeester hem dit opdraagt.

Proef C: Houden van de aangewezen plaats

Beschrijving van de proef

  • a. De hond moet zonder halsband of lijn en zonder dat enig voorwerp bij de hond is achtergelaten, de hem aangewezen plaats houden tot zijn voorjager hem weer ophaalt.
  • b. De voorjager dient twee volle minuten buiten het gezichtsveld van de hond te verblijven.
  • c. De keurmeester dient er op toe te zien dat de hond niet door verwaaiing of inrichting van de proef kan weten dat zijn voorjager in zijn directe omgeving verblijft.
  • d. Indien twee honden tegelijk worden beoordeeld, dan moet de proef zodanig zijn ingericht dat de honden elkaar vanaf de aangewezen plaats niet kunnen zien gedurende de twee minuten van het houden van die aangewezen plaats.

Proef D: Apport te land

Beschrijving van de proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een in overzichtelijk terrein weggeworpen wild konijn apporteren.
  • c. De valplaats dient zodanig te worden gekozen, dat de hond vanaf de positie bij de voorjager deze valplaats kan zien.
  • d. De werper dient het konijn van zich weg te werpen en wel zodanig, dat het konijn op ongeveer 25 meter van de hond terechtkomt.
  • e. De hond mag in opdracht van de keurmeester na één seconde nadat het konijn is gevallen, worden uitgestuurd om te apporteren
  • f. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.
  • g. De hond moet het konijn binnen handbereik van de voorjager brengen.
  • h. Een konijn mag bij deze proef meerdere malen door verschillende honden worden gebruikt.

Proef E: Apport uit diep water

Beschrijving van de proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een in overzichtelijk, diep water geworpen wilde eend apporteren.
  • c. De keurmeester zal de voorjager de plaats wijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. De plaats zal zodanig worden gekozen, dat deze ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt.
  • d. De eend moet op een zodanige plaats in het water worden geworpen, dat de hond om de eend te bereiken, moet zwemmen.
  • e. De valplaats dient zo te worden gekozen, dat de hond vanaf de positie bij de voorjager deze valplaats kan zien.
  • f. Tijdens het werpen van de eend wordt een schot gelost. Werper en geweer blijven gedurende de hele proef op hun plaats staan. Het schot wordt afgegeven op het moment dat de eend op het hoogste punt is.
  • g. De keurmeester geeft nadat de eend is gevallen, na één seconde opdracht om de eend te laten apporteren.
  • h. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.
  • i. De hond moet de eend binnen handbereik van de voorjager brengen.

Proef F: Verloren apport te land

Beschrijving van de proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een in dichte dekking geworpen wilde eend apporteren.
  • c. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd.
  • d. De werper dient vanaf een plaats waar de hond hem niet kan zien, de eend te werpen en wel zodanig, dat de eend terechtkomt op ongeveer 40 meter van de plaats waar de hond wordt ingezet. De werper trekt zich terug op een zodanige plaats, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend werken.
  • e. Zo enigszins mogelijk dient de inrichting van de proef zo te zijn, dat voorjager en hond elkaar niet meer kunnen zien nadat de hond, gezien in de algemene richting van de valplaats, zich meer dan vijf meter van zijn voorjager heeft verwijderd. Bij bepaalde terreinomstandigheden kan het nodig zijn om een kunstmatig scherm te plaatsen.
  • f. De keurmeester zal een zodanige plaats innemen, dat hij het zoeken van de hond kan beoordelen.
  • g. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. De voorjager mag deze plaats gedurende de gehele proef niet verlaten, tenzij de keurmeester hem dat opdraagt.

Proef G: Markeerapport te land

Beschrijving van de proef

  • a. De hond mag los of aangelijnd worden voorgejaagd.
  • b. De hond moet zonder halsband of lijn een voor hem zichtbaar weggeworpen wilde eend apporteren.
  • c. De valplaats dient zodanig gekozen te worden, dat de hond de eend niet kan zien liggen voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
  • d. De valplaats mag niet dusdanig opvallen, dat de hond erdoor wordt aangetrokken.
  • e. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet uitgaan. Werper en geweer dienen in dit geval benedenwinds van de valplaats van de eend te staan. De eend moet tegen de wind in worden geworpen.
  • f. Direct nadat er is geschoten, dient de werper haaks op de richting waarin de hond uit moet gaan, de eend met een grote boog van zich weg te werpen en wel zodanig, dat de eend op ongeveer zestig meter van de hond terechtkomt.
  • g. Werper en geweer blijven gedurende de gehele proef op hun plaats staan.
  • h. Nadat de voorjager de keurmeester te kennen heeft gegeven, dat hij gereed is om de proef af te leggen, geeft de keurmeester geweer en werper een teken dat zij kunnen starten.
  • i. De keurmeester zal nadat de eend is gevallen, na ongeveer drie seconden toestemming geven om de hond uit te zenden. Hij doet dit door de voorjager op de schouder te tikken.
  • j. De voorjager mag vanaf het moment dat de hond is uitgezonden tot aan het moment dat deze de eend heeft opgenomen, geen aanwijzingen of commando's geven.
  • k. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.

Proef H: Apport over diep water

Beschrijving proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een aan de overzijde van een breed, diep water weggeworpen wilde eend apporteren.
  • c. Het water dient minimaal tien meter en maximaal veertig meter breed te zijn en zo diep, dat de hond om de overkant te bereiken, moet zwemmen.
  • d. De werper dient op een moment dat de hond hem niet kan zien, de eend op een zodanige plaats te werpen, dat deze, afhankelijk van de breedte van het water en de geaardheid van het terrein, minimaal tien meter en maximaal veertig meter vanaf de kant van het water terecht komt. De werper trekt zich terug op een zodanige plaats, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor op de hond zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend werken.
  • e. De valplaats dient zodanig gekozen te worden, dat de hond de eend niet kan zien liggen, voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
  • f. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond over het water moet worden gestuurd.
  • g. De keurmeester zal de voorjager de plaats aanwijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar de hond de eend naar toe moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen, dat deze ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt.
  • h. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.

Proef I: Dirigeerproef te land

Beschrijving van de proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een houtduif apporteren nadat hij door zijn voorjager via een stoppunt naar de valplaats is gedirigeerd.
  • c. De proef moet worden uitgezet in overzichtelijk terrein. Dat wil zeggen, dat de hond die niet aanzienlijk van de ideale route afwijkt, voor de voorjager voortdurend zichtbaar moet kunnen zijn.
  • d. Het stoppunt dient ongeveer honderd meter van de positie van de voorjager en ongeveer vijftig meter van de valplaats te liggen en zodanig te worden gekozen, dat een aanzienlijke richtingscorrectie nodig is om de valplaats te bereiken. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt haaks op die, waarin de hond moet worden uitgestuurd en de valplaats benedenwinds van het stoppunt ligt.
  • e. Valplaats en stoppunt dienen zo natuurlijk mogelijk te worden gemarkeerd.
  • f. Op de valplaats en zeer ruime omgeving daarvan moet lage dekking aanwezig zijn, zodat de hond het wild niet kan zien voordat hij in de onmiddellijke omgeving van het wild is gekomen.
  • g. De werper dient op een moment dat de hond dit niet kan zien, de duif op de valplaats te werpen.
  • h. De werper dient zich op een zodanige plaats terug te trekken, dat zijn aanwezigheid en zijn loopspoor zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend op de hond werken.
  • i. De voorjager mag de hem aangewezen plaats gedurende de gehele proef niet meer dan vijf meter verlaten en daarbij een aangegeven lijn niet naar voren overschrijden.
  • j. De voorjager moet zijn hond stoppen in de naaste omgeving van het stoppunt en moet nadat de keurmeesters hem daarvoor toestemming geven, zijn hond van daaruit naar de valplaats dirigeren. De keurmeesters zullen deze toestemming eerst geven nadat de hond naar hun oordeel voldoende dicht bij dit punt, door de voorjager is gestopt.

Proef J: Apport van verre loper over breed water

Beschrijving van de proef

  • a. De hond wordt zonder halsband, los voorgejaagd.
  • b. De hond moet een aan de overzijde van een breed, diep water ver weggesleepte wilde eend apporteren. Hij dient daarbij gebruik te maken van het sleepspoor.
  • c. Het water dient tenminste vijftien meter breed te zijn en zo diep, dat de hond moet zwemmen om de overkant te bereiken.
  • d. Bij voorkeur dient de proef zo te worden uitgezet, dat de wind uit een richting komt vari‘rend tussen recht van achter en haaks op die, waarin de hond over het water moet worden gestuurd.
  • e. Vanaf de overkant van het water wordt een sleepspoor getrokken, dat afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van het water en de geaardheid van het terrein, minimaal honderdvijftig meter en maximaal driehonderd meter lang is. In het spoor moeten minimaal twee haken van ongeveer negentig graden zitten. Aan het einde van het sleepspoor wordt een wilde eend neergelegd.
  • f. Bij voorkeur dienen aan de overkant van het water de terreinomstandigheden zodanig te zijn, dat de hond die het sleepspoor heeft aangenomen, snel aan het zicht van de voorjager wordt onttrokken.
  • g. De sleper en zo gewenst ook keurmeesters trekken zich op een zodanige plaats terug, dat hun aanwezigheid en hun loopspoor zo weinig mogelijk stimulerend of belemmerend op de hond werken.
  • h. De hond mag het trekken van het sleepspoor niet zien.
  • i. Het begin van het sleepspoor wordt zo natuurlijk mogelijk gemarkeerd en aan de voorjager bekend gemaakt. De voorjager mag de hond naar het begin van het sleepspoor dirigeren. Als de hond het sleepspoor heeft aangenomen, is het de voorjager verboden verdere commando's te geven.
  • j. De voorjager mag de hem aangewezen plaats gedurende de gehele proef niet verlaten.


De Meervoudige Apporteerproef (MAP)

Een MAP bestaat uit zes meervoudige, niet gestandaardiseerde apporteerproeven op B-niveau en twee meervoudige, niet gestandaardiseerde apporteerproeven op A-niveau.

Inrichting van de B-proeven, B1 tot en met B6

  • 1. Elke proef bestaat uit twee apporten. De moeilijkheidsgraad van de afzonderlijke opdrachten en apporten mag die van de gestandaardiseerde proeven A t/m H van de jachthondenproef slechts in geringe mate te boven gaan.
  • 2. De proeven dienen zodanig te worden ingericht, dat
    • a. tenminste twee van deze proeven een waterelement bevatten;
    • b. tenminste bij twee van deze proeven een schot wordt gelost;
    • c. tenminste bij één van de proeven de steadiness beoordeeld kan worden, (onder meer inhoudende, dat bij deze proef gebruik wordt gemaakt van een hagelgeweer, als omschreven in art. VII.12) en de proeven redelijkerwijze binnen vijf minuten door voorjager en hond uitgevoerd kunnen worden.
  • 3. Vier van de zes B-proeven (B1, B2, B4 en B5) worden door de A-honden afgelegd. Tenminste één van deze vier proeven moet een waterelement bevatten, bij tenminste één van deze proeven moet een schot worden gelost en bij tenminste één van deze proeven moet de steadiness beoordeeld kunnen worden.
  • 4. Indien een hek, raster of springbak wordt gebruikt, dan mag de hoogte daarvan niet meer dan 50 cm bedragen. Bij een springbak dient deze aan één zijde een opening te hebben. De vereiste opening is niet van toepassing bij een bestaand hekwerk van gaas in een weiland.

Inrichting van de A-proeven, A1 en A2

  • 1. Elke proef bestaat uit twee apporten. De moeilijkheidsgraad van de afzonderlijke opdrachten en apporten mag die van de gestandaardiseerde proeven A t/m J van de jachthondenproef slechts in geringe mate te boven gaan.
  • 2. De proeven dienen zodanig te worden ingericht, dat
    • - tenminste één van deze proeven een waterelement bevat;
    • - tenminste één dirigeerapport en één apport van een verre loper onderdeel zijn en de proeven redelijkerwijze binnen acht minuten door voorjager en hond uitgevoerd kunnen worden.
  • 3. Indien een hek, raster of springbak wordt gebruikt, dan mag de hoogte daarvan niet meer dan 50 cm bedragen. Bij een springbak dient deze aan een zijde een opening te hebben. De vereiste opening is niet van toepassing bij een bestaand hekwerk van gaas in een weiland.